Enkele interessante (recente) ontwikkelingen binnen het ondernemingsrecht:

  • Wetsvoorstel 34491 – Wet bestuur en toezicht rechtspersonen

Een aantal artikelen die nu enkel gelden ten aanzien van de B.V. en de N.V., zullen volgens dit voorstel worden verplaatst naar het algemeen deel van Boek 2 BW. Dit zal gevolgen hebben voor stichtingen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, die overigens vaak in de praktijk alreeds worden toegepast. In dit wetsvoorstel wordt:

  1. de bepaling dat bestuurders en commissarissen gehouden zijn tot een behoorlijke taakvervulling en dat zij zich bij de vervulling van hun taak dienen te richten naar het belang van de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming of organisatie, nu voor alle rechtspersonen geldend;
  2. de tegenstrijdig belang regeling geüniformeerd: de regeling die thans geldt voor bestuurders van B.V.’s en N.V.’s (bestuurders met een tegenstrijdig belang onthouden zich van beraadslaging en besluitvorming) wordt in het wetsvoorstel van toepassing verklaard op alle rechtspersonen. Ten aanzien van de stichting waarvan alle bestuurders een tegenstrijdig belang hebben en die geen RvC heeft, betekent dat dat het bestuur in geval van een tegenstrijdig belang alsnog een besluit neemt en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen schriftelijk vastlegt;
  3. een wettelijke grondslag opgenomen voor het instellen van een RvC voor alle rechtspersonen als genoemd in artikel 2:3 BW. Deze regeling ontbreekt thans voor stichtingen en verenigingen. Dit sluit aan bij sectorale wetgeving, waarin vaak de instelling van een toezichthoudend orgaan verplicht wordt gesteld;
  4. de mogelijkheid tot het instellen van een one-tier board nu ook voor een vereniging en stichting opgenomen in de wet;
  5. de aansprakelijkstelling voor bestuurders na faillissement eveneens geüniformeerd. Deze regels gaan niet in volle omvang gelden voor onbezoldigde bestuurders en commissarissen van ‘kleine’ stichtingen en verenigingen;
  6. de ontslagmogelijkheid van een stichtingsbestuurder/-commissaris verruimd: deze kan worden ontslagen wegens verwaarlozing van zijn taak, wegens andere gewichtige redenen, wegens ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van het bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden gevergd en wegens het niet of niet behoorlijk voldoen aan een bevel van de voorzieningenrechter. Voor het geval een stichting een RvC heeft, wordt deze regeling van overeenkomstige toepassing verklaard op de commissaris van een stichting; en
  7. uitgde mogelijkheid voor de stichtingsbestuurder tot preventieve ontslagtoetsing geschrapt.

Na de parlementaire behandeling zal duidelijk zijn, welke veranderingen daadwerkelijk zullen worden doorgevoerd. To be continued.

  • 34262 – Wet deponering in handelsregister langs elektronische weg

De Wet deponering in handelsregister langs elektronische weg is in werking getreden sinds 1 juli 2016. Deze wet wijzigt het uitgangspunt voor deponering in het Handelsregister en bevat een grondslag om bij algemene maatregel van bestuur te bepalen dat bepaalde bescheiden (bijvoorbeeld de jaarrekening) uitsluitend elektronisch, via een uniforme standaard, namelijk Standard Business Reporting (SBR), mogen worden aangeleverd bij het handelsregister.

Deze verplichting om de jaarrekening te deponeren via SBR zal stapsgewijs worden ingevoerd. De regeling geldt eerst voor micro-ondernemingen en kleine rechtspersonen. Deze ondernemingen moeten de jaarrekening met boekjaar ingaande op of na 1 januari 2016 elektronisch deponeren. Voor middelgrote rechtspersonen gaat deze verplichting een jaar later in, ten aanzien van stukken die zien op het boekjaar ingaande op of na 1 januari 2017. Voor grote rechtspersonen en middelgrote groepsondernemingen is nog geen tijdstip van inwerkingtreding vastgesteld.

  • 33994 – Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude en 34011 – Wet civielrechtelijk bestuursverbod

Deze wetten (op 1 juli 2016 in werking getreden) vallen onder het Wetgevingsprogramma Herijking Faillissementsrecht en zijn gericht op fraudebestrijding.

De Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude beoogt, via een aanpassing van het Wetboek van Strafrecht, de mogelijkheden om via de weg van het strafrecht op te treden tegen faillissementsfraude te verbeteren: één van deze maatregelen is het strafrechtelijk sanctioneren van de administratie- en bewaarplicht.

De Wet civielrechtelijk bestuursverbod voorziet kort gezegd, door middel van een aanpassing in de Faillissementswet, in de mogelijkheid voor de rechtbank om in geval van faillissement een (oud-)bestuurder of feitelijk beleidsbepaler, die zich heeft beziggehouden met faillissementsfraude of schuldig heeft gemaakt aan wanbestuur in de aanloop naar een faillissement van een rechtspersoon, voor maximaal vijf jaar te verbieden een bestuursfunctie of functie als commissaris te bekleden binnen een rechtspersoon. De oplegging van een dergelijk verbod wordt dan zichtbaar in het handelsregister.