Het non-concurrentiebeding in de franchiseovereenkomst: in wiens voordeel?

In franchiseovereenkomsten wordt in beginsel standaard een zogenaamd non-concurrentiebeding opgenomen. Dit houdt in dat een franchisenemer na het eindigen van de overeenkomst, gedurende een bepaalde tijd geen concurrerende activiteiten mag uitvoeren met betrekking tot de producten en/of diensten, die hij onder de franchiseformule (vaak als gevolg van een licentie) wel mocht ontplooien. Aan een dergelijk non-concurrentiebeding is vaak een boeteclausule verbonden. Verder wordt doorgaans bedongen dat de franchisenemer zich het recht voorbehoudt om naast de boete volledige schadevergoeding te vorderen.

 

ConcurrentiebedingWat het non-concurrentiebeding betreft, is de hoofdregel dat de franchisenemer hieraan is gehouden na beëindiging van de franchiseovereenkomst (Rechtbank Amsterdam, 9 april 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:2110). Bezien vanuit de franchisegever is dit begrijpelijk: hij moet zijn zakelijk concept kunnen overdragen aan de franchisenemer, zonder dat de concurrentie hiermee in de kaart wordt gespeeld. Ook beschermt dit eventueel nieuwe (opvolgende) franchisenemers.

Het kan echter ook zo lopen, dat een dergelijk beding door de franchisenemer met succes wordt bestreden indien het beding ontoelaatbaar in zijn nadeel werkt. Recent bepaalde de Rechtbank Gelderland, dat – in weerwil van een non-concurrentiebeding – een ex-franchisenemer zijn bakkerswinkel onder eigen naam mocht voortzetten. Reden hiervoor was dat geen nieuwe franchisenemer zou starten in het rayon, waardoor de door de franchisegever bepleitte vrees voor concurrentie niet gegrond was. Daarnaast had de ex-franchisenemer aanzienlijk geïnvesteerd en zou de investering in één keer verdampen indien hij aan het non-concurrentiebeding gehouden zou zijn en daardoor het gehuurde pand zou moeten verlaten (Rechtbank Gelderland, 9 maart 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:1629).

Naast het voorgaande voorbeeld heeft de (ex-)franchisenemer meer mogelijkheden om een non-concurrentiebeding door de rechter buiten toepassing te laten verklaren. Zo kan een beding bijvoorbeeld strijdig met het mededingingsrecht worden geacht, indien de franchisenemer aantoont dat de afspraken tot doel / als gevolg hebben, dat de vrije mededinging op de (Nederlandse) markt merkbaar wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Hiervan zal overigens geen sprake zijn wanneer het gaat om een franchiseformule met een kleine omvang. Ook de looptijd van het non-concurrentiebeding, de formulering en het gebied waarbinnen geen concurrerende activiteiten mogen worden verricht, kunnen reden zijn voor het (deels) buiten toepassing verklaren van het non-concurrentiebeding, of het schorsen dan wel matigen van de werking ervan.

Uiteindelijk is het bij het opstellen van een franchiseovereenkomst van belang het non-concurrentiebeding zorgvuldig te formuleren en rekening te houden met de belangen van beide partijen, zodat de overeenkomst de tussen partijen gewenste en redelijke uitwerking heeft.

Heeft u vragen over het non-concurrentiebeding in franchiseovereenkomsten? Neem dan contact op met Merel Franke.