Ditmaal een aantal ontwikkelingen die van belang zijn voor schuldeisers en hun bevoegdheden ten aanzien van pandrechten, eigendomsvoorbehoud en de mogelijkheid van het Europese bankbeslag per 18 januari 2017:

I) Jurisprudentie bevoegdheden pandhouder/eigendomsvoorbehoud

In een uitspraak van Rechtbank Noord-Nederland van 9 augustus 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:3765, is bepaald dat in het geval een debiteur van een verpande vordering betaling weigert op grond van algemene voorwaarden die van toepassing zijn op de verpande vordering, de (inningsbevoegde) pandhouder geen beroep kan doen op de vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden. Op basis van een clausule in de algemene voorwaarden achtte de debiteur zich niet gehouden tot betaling van een deel van de vordering. De pandhouder werd niet bevoegd geacht een beroep te doen op de vernietigbaarheid, nu de bevoegdheid hiertoe niet is opgenomen in artikel 3:246 BW; alleen bevoegdheden die in dit artikel zijn genoemd, komen de pandhouder toe.

Deze rechtspraak is in lijn met de eerdere rechtspraak op dit gebied (HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:415 (IAE/Neo-River)): andere bevoegdheden, zoals het verlenen van kwijtschelding, ontbinding en vernietiging, zijn bevoegdheden waarvan wordt geoordeeld dat die aan de pandgever blijven toebehoren. In deze lijn werd eerder ook bepaald, dat de pandhouder niet bevoegd is tot het aanvragen van het faillissement van de debiteur van de aan hem verpande vordering (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 maart 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2264).

In HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1046 (Rabobank/Reuser) werd geoordeeld dat een levering onder eigendomsvoorbehoud leidt tot voorwaardelijke eigendom – onder opschortende voorwaarde van betaling van de koopsom – van de koper. De verkoper is in dat geval voorwaardelijk eigenaar onder de ontbindende voorwaarde van betaling. De bank wilde zich in faillissement op het object dat onder eigendomsvoorbehoud was geleverd verhalen nu zij hierop een pandrecht had. De curator beriep zich erop dat het eigendomsvoorbehoud pas na faillissement vervallen was en dat daarom ook pas na faillissement het pandrecht gevestigd is, waardoor dit hem niet kon worden tegengeworpen. Echter, de leveringshandeling vindt bij eigendomsvoorbehoud reeds plaats bij machtsverschaffing (artikel 3:91 BW). Geoordeeld werd daarom dat de bank/pandhouder reeds voor faillissement een voorwaardelijk pandrecht verkreeg (gelet op de nemo-plus regel kan de pandgever namelijk niet over meer beschikken dan hem toekomt), dat door vervulling van de voorwaarde van betaling een “vol pandrecht” werd. Ook interessant is dat de Hoge Raad in dit arrest heeft benadrukt, dat een verpandingsverbod alleen toegelaten is ten aanzien van vorderingen op grond van 3:83 jo. 3:98 BW.

II) Europees bankbeslag (European Account Preservation Order “EAPO”/ Verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken “de Verordening”)

Een ontwikkeling die vanaf 18 januari 2017 belangrijke gevolgen zal hebben voor het bedrijfsleven: vanaf dan wordt het voor een schuldeiser bij grensoverschrijdende inning van geldvorderingen (toepassingsgebied: artikel 2 Verordening) mogelijk om in Europa derdenbeslag te leggen onder banken. De procedure zal bestaan naast nationale procedures.

Voor deze procedure is geen verplichte procesvertegenwoordiging voorgeschreven. De procedure tot het verkrijgen van dit bevel tot beslag, kan namelijk simpelweg worden gestart door middel van een digitaal verzoekschrift via de website van EAPO. Daarnaast krijgt de schuldeiser/beslaglegger op basis van deze Verordening de mogelijkheid om rekeninginformatie op te vragen alvorens executoriaal beslag wordt gelegd (artikel 14 Verordening).

Op grond van artikel 5 Verordening kan de schuldeiser voor de volgende gevallen een bevel tot beslag verkrijgen:

  1. Voor of tijdens elke fase van een door hem tegen de schuldenaar ingestelde bodemprocedure, zolang geen rechterlijke beslissing is gegeven of geen gerechtelijke schikking is goedgekeurd of getroffen;
  2. Nadat hij een rechterlijke beslissing, gerechtelijke schikking of authentieke akte heeft verkregen op grond waarvan de schuldenaar de vordering moet voldoen.

Het bevel wordt ex artikel 7 Verordening toegekend, indien de schuldeiser voldoende bewijsmateriaal heeft verstrekt, dat ervan overtuigt dat dringend behoefte bestaat aan een dergelijk bevel en indien sprake is van een reëel risico, dat zonder dit bevel de latere inning wordt bemoeilijkt of onmogelijk wordt gemaakt.

Op grond van artikel 9 moet de schuldeiser zekerheid stellen voordat conservatoir beslag kan worden gelegd. In geval van executoriaal beslag kan dit worden verlangd, indien dat in de omstandigheden van het geval noodzakelijk en passend wordt geacht.

De wijze van uitvoering van de Verordening is vastgelegd in de Uitvoeringswet verordening Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen.